Sector
  • Vso
Vakgebied
  • Rekenen/wiskunde
Vakinhoud
  • Getallen en variabelen
  • Informatieverwerking & onzekerheid
  • Inzicht en handelen
  • Meten en meetkunde
  • Verbanden en formules
  • Verhoudingen
Leerplankundig thema
  • Doelen
  • Kerndoelen

Kerndoelen voortgezet speciaal onderwijs

23-5-2017

Uitstroomprofiel Dagbesteding

Uitstroomprofiel Arbeidsmarkt

Uitstroomprofiel Vervolgopleiding

 

Uitstroomprofiel Dagbesteding

1.  De leerling leert zich oriënteren op en gebruik maken van ordenende handelingen.

Hierbij kan men denken aan:

  • het leren vergelijken en ordenen met concrete materialen;
  • het ontwikkelen van begrip over hoeveelheden, grootten en dergelijke;
  • het ontwikkelen van het getalbegrip, aantallen bepalen;
  • benoemen en gebruiken van hele getallen bij praktische situaties;
  • het leren de tijdordening en tijdsindeling te gebruiken in dagelijkse situaties.


2.  De leerling leert passende reken-wiskundetaal gebruiken en werken met getallen in
betekenisvolle praktische situaties.

Hierbij kan men denken aan:

  • herkennen van de toepassingen van rekenkundige bewerkingen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen en de symbolen daarbij;
  • 'werken met' getallen in de zin van ordenen, vergelijken, afronden;
  • de betekenis van negatieve getallen in relevante situaties (temperatuur,..);
  • begrijpen en gebruiken van in dagelijkse situatie gangbare getalbenamingen, zoals half, kwart;
  • begrijpen en gebruiken van eenvoudige ruimtelijke aanduidingen;
  • begrijpen van eenvoudige representaties, zoals (dubbele) getallenlijn, strook, schema, tabel;
  • kunnen lezen van plattegrond, kaart, legenda.

3.  De leerling leert bij het oplossen van rekensituaties een hulpmiddel te gebruiken.

Hierbij kan men denken aan:

  • in voorkomende rekensituaties beoordelen of je het zelf kunt uitrekenen of een hulpmiddel inzet;
  • gebruiken van hulpmiddelen voor het rekenen, die passen bij de mogelijkheden van de leerling.

4.  De leerling leert omgaan met meetinstrumenten, maten en grootheden, orde van grootte en
nauwkeurigheid.

Hierbij kan men denken aan:

  • bij omgaan met meetinstrumenten aan vaardigheden als kiezen van juiste instrument, instellen, aflezen, uitkomst noteren, afpassen;
  • bij gangbare grootheden aan lengte, gewicht, temperatuur, snelheid;
  • bij gangbare maten denken aan eigen referentiematen en aan standaardmaten als m, kg, km, ˚C;
  • bij schatten aan schatstrategieën, schatten op basis van referentiematen;
  • bij nauwkeurigheid aan afronden van meetresultaten passend bij situatie;
  • bij meetinstrumenten aan liniaal, rolmaat, balans, weegschaal, maatbeker, thermometer.

5.  De leerling leert zich oriënteren op tijd en gebruik maken van tijdsaanduidingen.

Hierbij kan men denken aan:

  • tijdsbegrippen zoals dagen van de week, gisteren, overmorgen, februari, herfst;
  • grootheden van tijd: uur, kwartier, minuut, seconde (tel), dag, week, maand, jaar;
  • klokkijken (digitaal/analoog);
  • herkennen van gangbare of speciaal aangepaste tijdsaanduidingen;
  • leren tijdsordening en tijdsindeling gebruiken in dagelijkse situaties;
  • omgaan met klok, wekker, agenda, kalender, data.

6.  De leerling leert omgaan met geld en betaalmiddelen.

Hierbij kan men denken aan:

  • bedragen leggen;
  • wisselen van eenvoudige bedragen;
  • teruggeven vanaf bepaald bedrag (eenvoudige bedragen);
  • berekeningen met geld, al dan niet met rekenmachine;
  • bedragen (met name prijzen) afronden;
  • prijsbesef en prijzen vergelijken;
  • besef van en omgaan met giraal geld: pinnen, overmaken, ontvangen/betalen;
  • begrippen als schuld en winst.

Uitstroomprofiel Arbeidsmarkt

1.  De leerling leert in praktische situaties passende reken-/wiskunde taal gebruiken.

Hierbij kan men denken aan:

  • benoemen en gebruiken van hele getallen, ook negatieve getallen (zoals bij -6 ˚C);
  • begrijpen en gebruiken van getalbenamingen, zoals half, kwart, anderhalf, miljoen;
  • benoemen, begrijpen en gebruiken van symbolen, zoals +, -, : , ÷ , * , x, =, %, ˚C, >, < ;
  • begrijpen en gebruiken van voorvoegsels, zoals kilo- (bijvoorbeeld in kilometer), mega-
    (zoals in megabyte), milli- (zoals in milli-liter);
  • begrijpen en gebruiken van aanduidingen, zoals gemiddelde, minimum, maximum;
  • begrijpen en gebruiken van verhoudingen, zoals een op de vier;
  • begrijpen en gebruiken van ruimtelijke aanduidingen, zoals horizontaal, verticaal,
    diagonaal;
  • begrijpen en gebruiken van ruimtelijke aanduidingen, zoals rond, recht, kubus, vierkant,
    cirkel, piramide, midden;
  • begrijpen van representaties, zoals (dubbele) getallenlijn, strook, schema, tabel, grafiek,
    diagram;
  • kunnen lezen van plattegrond, kaart, legenda.

2.  De leerling leert in praktische situaties problemen op te lossen met gebruik van rekenkundige middelen.

Met rekenkundige middelen wordt hier bedoeld:

  • de bewerkingen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen;
  • en schattend rekenen.

3.  De leerling leert computer en rekenmachine te gebruiken als hulpmiddel en informatiebron.

Hierbij kan men denken aan:

  • weten wanneer je iets zelf uitrekent of de rekenmachine inzet;
  • verstandig gebruik van rekenmachine als hulpmiddel voor het rekenen;
  • het intoetsen en aflezen van de rekenmachine;
  • het gebruiken van eenvoudige applicaties op de computer, bijvoorbeeld routeplanner;
  • computer als informatiebron kunnen gebruiken.

4.  De leerling leert in betekenisvolle en praktische situaties werken met gangbare breuken,
verhoudingen en decimale getallen.

Hierbij kan men denken aan:

  • het ordenen, vergelijken en afronden van decimale getallen en breuken, en vooral niet het optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen ervan, want daar is de rekenmachine voor;
  • bij praktische situaties vooral denken aan meten en situaties waarin geld een rol speelt;
  • bij geldrekenen 2 decimalen gebruiken; bij meten wordt het aantal decimalen bepaald door de situatie;
  • schaalverdeling als verhouding, bijvoorbeeld 1: 10 (werktekening) of 1: 25.000 (fietskaart);
  • leren rekenen met gangbare percentages, zoals 10%, 25%, 50%, 100%;
  • leren werken met gangbare breuken, zoals half, kwart, ¾, ⅓, een-tiende (spaarzaam met breuken aanleren);
  • begrijpen en gebruiken van verhoudingen, maar dit beperken tot mooie getallen (zoals: twee van de drie).

5.  De leerling leert ruimtelijk te redeneren en leert eenvoudige meetkundige begrippen te
gebruiken in praktische situaties.

Hierbij kan men denken aan:

  • plaats bepalen;
  • kaartlezen;
  • interpreteren van tweedimensionale weergave (zoals routekaart of werktekening) van een 3D-situatie (zoals het bijbehorend landschap, het werkstuk);
  • de begrippen oppervlakte, omtrek, inhoud.

6.  De leerling leert omgaan met in de praktijk veel voorkomende meetinstrumenten voor lengte, gewicht, inhoud en temperatuur en leert rekenen met maten en grootheden.

Hierbij kan men denken aan:

  • meetinstrumenten zoals: liniaal, duimstok, rolmaat (voor lengte); balans, weegschaal (voor gewicht), maatbeker (voor inhoud), (koorts)thermometer en oventhermostaat (voor temperatuur);
  • het leren omgaan met meetinstrumenten, zoals het kiezen van het juiste instrument, het instellen, aflezen, uitkomst noteren, afpassen;
  • het leren rekenen met gangbare standaardmaten, zoals mm, cm, m, km; g, kg, l, dl, cl, ˚C;
  • het leren werken met referentiematen, zoals eigen lichaamslengte, aantal stappen, pak suiker;
  • het afronden van meetresultaten passend bij de situatie;
  • het schatten van maten en grootheden.

7.  De leerling leert omgaan met tijd.

Hierbij kan men denken aan:

  • klokkijken (digitaal en analoog), wekker;
  • omgaan met kalender, agenda, data, periodes;
  • tijdsbegrippen als jaar, week, dag, maand, uur, minuut, seconde en relaties daartussen;
  • eenvoudige berekeningen met tijd.

8.  De leerling leert omgaan met geld en betaalmiddelen.

Hierbij kan men denken aan:

  • bedragen leggen;
  • bedragen wisselen;
  • teruggeven vanaf bepaald bedrag;
  • berekeningen met geld, al dan niet met rekenmachine;
  • bedragen (met name prijzen) afronden;
  • prijzen vergelijken;
  • pinnen;
  • geld overmaken, giraal betalen;
  • begrippen als schuld en winst.

9.  De leerling leert eenvoudige tabellen, grafieken en diagrammen te interpreteren en te maken.

Hierbij kan men denken aan:

  • gegevens uit een tabel of grafiek begrijpen, interpreteren en in eigen woorden weergeven;
  • vertaalvaardigheden van situatie, naar tabel of grafiek;
  • gegevens uit een tekst (woorden) in een tabel of grafiek zetten;
  • gegevens uit een tabel in grafiek zetten (of omgekeerd);
  • gegevens systematisch beschrijven, ordenen en weergeven, bijvoorbeeld in een tabel,grafiek of diagram.

Uitstroomprofiel Vervolgopleiding

1.    De leerling leert passende wiskundetaal te gebruiken voor het ordenen van het eigen denken en voor uitleg aan anderen en leert de wiskundetaal van anderen te begrijpen

 

2.    De leerling leert alleen en in samenwerking met anderen in praktische situaties wiskunde te herkennen en te gebruiken om problemen op te lossen.

 

3.    De leerling leert een wiskundige argumentatie op te zetten en te onderscheiden van meningen en beweringen en leert daarbij met respect voor ieders denkwijze wiskundige kritiek te geven en te krijgen.

 

4.    De leerling leert de structuur en de samenhang te doorzien van positieve en negatieve getallen, decimale getallen, breuken, procenten en verhoudingen en leert ermee te werken in zinvolle en praktische situaties.

 

5.    De leerling leert exact en schattend rekenen en redeneren op basis van inzicht in nauwkeurigheid, orde van grootte, en marges die in een gegeven situatie passend zijn.

 

6.    De leerling leert meten, leert structuur en samenhang doorzien van het metriek stelsel en leert rekenen met maten voor grootheden die gangbaar zijn in relevante toepassingen.

 

7.    De leerling leert informele notaties, schematische voorstellingen, tabellen, grafieken en formules te gebruiken om greep te krijgen op verbanden tussen grootheden en variabelen.

 

8.    De leerling leert te werken met platte en ruimtelijke vormen en structuren, leert daarvan afbeeldingen te maken en deze te interpreteren en leert met hun eigenschappen en afmetingen te rekenen en redeneren.

 

9.    De leerling leert gegevens systematisch te beschrijven, ordenen en visualiseren en leert gegevens, representaties en conclusies kritisch te beoordelen.

Contactpersoon